(Me)zelfsturend op vakantie

De vakantie helemaal vergeten in te plannen dit jaar wegens alle drukte.

En dan in de drukte proberen een minst drukke week te kiezen om vrij te zijn, zodat je je collega’s en jezelf het minst tot last bent om dit te kunnen regelen.

En dan je open diensten in de lange teamrapportage zetten waar tientallen andere open diensten ook tussen staan. Zoals vaak, de laatste tijd.

En daar veel ‘au’ ‘au’ ‘au’-momentjes bij voelen, bij iedere regel waar je eigenlijk tussen wil komen.

En dat je dan toch maar wacht met je eigen open diensten en gaat nadenken of je toch niet één weekend één dienst kan draaien zodat er drie andere diensten weer opgelost kunnen worden.

En dat dan toch weer met het thuisfront gaat overleggen. Voor de derde keer.

Of zelfs een andere week probeert te plannen voor vakantie, wat eigenlijk ook geen optie is.

En dat je dan uren later op de bank zit en vastberaden je vakantie wil vastleggen en je dan op dat moment een uitnodiging krijgt om in die specifieke week naar een speciale bijeenkomst voor je werk langs te komen.

Je voor je uit staart en bij jezelf denkt waar ben ik in godsnaam mee bezig?

Hoe houd ik mezelf in het gareel?

En dan maar gaat schrijven als afleiding.

Morgen weer een dag.

(Me)zelfsturend op vakantie

‘Dus ik mag jullie de volgende keer weer vragen?’

In 2011 splitste team Ede in team Ede Noord en team Ede Zuid. Net op dat moment kwam de vakantiecliënt mw G in zorg, een stuk boven de spoorlijn. Jarenlang heeft team Ede Zuid haar en later haar zus, waar zij logeerde, geholpen en ‘gehouden’ ongeacht de extra reistijd.

Ze hebben mijn zwangerschappen kunnen bijhouden, onze verhuisplannen en ik zie keer op keer hoe deze hoogbejaarde vrouwen zich saampjes wisten te redden, hoe één zus de ander ging missen na het overlijden en hoe zij als achtergeblevene zelf met steeds meer gezondheidsklachten kampte.

Vanmorgen was het moment weer daar om de zorg bijna geheel af te sluiten. Met snelle ademhaling probeert ze haar kleding in hoog tempo aan te trekken door het idee ons tot last te zijn. Straks kan zij zonder ons weer verder op haar eigen gemak. ‘Maar bij welk team hoor ik nu eigenlijk?’ en ‘Mag ik nog steeds gewoon jullie nummer bellen?’ terwijl ze haar been in een maillot steekt. ‘Ja natuurlijk!’ zeg ik.

In mijn hoofd maak ik mij toch een klein beetje zorgen. Inmiddels zijn er 6 teams in Ede en steeds langer blijven vacatures ongevuld. Kan zij nog wel bij ons in zorg later? Ik hoop dat we deze uitzondering nog lang kunnen blijven maken.

‘Dus ik mag jullie de volgende keer weer vragen?’

4x Waar ik de grootste kick van krijg in de wijk

Het blijft een never-ending-story: over hoe dull te wijkzorg schijnt te zijn volgens studenten van de HBO-V. Daarbij ervaar ik ook nog eens last van een schrijnend tekort aan wijkverpleegkundigen, waardoor ik bij deze, als soort van verplichting, mijn all-time-favorites in de wijk op een rijtje zetten. Daarmee bedoel ik dus de dingen waar ik zo blij van word als wijkverpleegkundige dat ik er bijna vleugeltjes van krijg. (En ja, ook ik wilde altijd het ziekenhuis in.)

1. Het (l)even op de rails zetten

Naar huis gestuurde mensen, volledig in paniek en met angst in de ogen op het puntje van hun stoel vertellend dat ze toch echt op een revalidatieplek horen te zijn,  dusdanig op de rit krijgen dat ze na een week met het hoofd in de opengeslagen krant en een kopje koffie naast zich languit met de pootjes omhoog vertellen dat ze het allemaal wel prima vinden gaan zo. Lange zin, maar even voor de beeldvorming.

2. De mensen

De mensen thuis in hun vertrouwde omgeving: hun verhalen, hun huis en hun spulletjes, hun ervaringen en kennis. Een wirwar van geknok, hoop, machteloosheid, opluchting, gemoedelijkheid, verdriet, angst, dankbaarheid en tevredenheid. Of het nu om dagen gaat of om jaren. En achter ieder deurtje is het weer anders. Zo fiets je langs een zojuist opgebaarde cliënt en dan sta je een straatje verder met iemand geschikte vakantiekleding te bediscussiëren.

3. ‘Dingen’ uitzoeken

Wroeten in iemands achtergrond, een persoonsgerichte oplossing zoeken, een zeldzame ziekte bestuderen, een vernieuwd hulpmiddel eigen maken of een zorgplan opnieuw ordenen. Mede door onze brede kijk zijn er altijd veel ‘dingen’ om uit te zoeken. Never a dull moment.

4. Teamwork

Samenwerken met andere disciplines/collega’s/familie waardoor een cliënt veel breder en sneller goed geholpen wordt. Het gezicht van de cliënt die drie behandelaren tegelijkertijd in zijn woonkamer spreekt in het bijzijn van díe cliënt, waarin het volledig gaat over de gezondheidsbevordering van díe cliënt, is onbetaalbaar.

Dusss… luitjes. Regel een dagje meelopen in de wijk, laat je meevoeren door een zuster die minstens net zo enthousiast is als mij en enjoy.

PS: Voordat ik commentaar krijg: zuster bekt lekkerder dan wijkverpleegkundige.

4x Waar ik de grootste kick van krijg in de wijk

Relaas en een pot pindakaas

Zelfsturende teams lopen niet vanzelf. Daar moet soms ook hard voor gewerkt worden. Zoals vanmiddag bij mij / ons. Het ging niet van een leien dakje. Profesioneel blijven, maar ook even ventileren in het teamoverleg.

Dus kocht ik vanavond bij de Albert Heijn naast de reguliere snacks (thank god it’s donderdag patatdag) een pot pindakaas voor vogels.

En naast het feit dat ik voor het eerst dit jaar de tuin heerlijk heb om kunnen spitten met dit zachte weer, heb ik ook even nog gauw de pot pindakaas opgehangen. En verheug me nu al op het uitzicht morgen op de boom, waar vogeltjes zullen smullen en gretig gaan pikken in het potje.

bird-915442_1920

Relaas en een pot pindakaas

De valkuil van de automatische piloot

In ‘Kijk in de Wijk’ schrijf ik over kleine, mooie, bijzondere, ontroerende of opvallende dingen die ik meemaak in mijn werk als wijkverpleegkundige.


Als moeder van vier kinderen onder de 7 jaar oud, help ik niet alleen cliënten met wassen en aankleden. Je begrijpt dat ik mijn kinderen achter elkaar in en uit bad haal, de handdoek er kort maar krachtig over haal, hun broek omhoog trek en na een liefdevolle tik op de billen de ‘volgende!’ roep. Wees gerust, cliënten help ik met veel meer attentie en geduld, al zeg ik het zelf.

That awkward moment…

Het mooie van mijn werk is dat ik vrijwel wekelijks al jarenlang (dezelfde) mensen help met wassen en aankleden waardoor ik bijna alles blindelings weet te doen. De valkuil is echter dat foutjes erin sluipen of in dit geval, je je professionaliteit kan verliezen. Zo gaf ik na een douchebeurt mijn cliënt uit het niks, maar nog net niet die ene tik op de billen. Ik was even in shock van mezelf, was me bewust van mijn ‘moeke’-actie en kon er ook best even hoofdschuddend (in mezelf) om lachen.

Schrikdraad

Maar hoe makkelijk is het dus om je professionaliteit te verliezen als je lekker bezig bent? En wat houdt je tot die grens? Bij mij voelt het als een soort ingebouwd schrikdraad waar ik tegenaan kom. Herkenbaar?

Hoe houd jij jezelf binnen de grens als zorgverlener en wat voor vergelijkbare situaties heb je meegemaakt?

De valkuil van de automatische piloot

“Jaaa, wie is daar?”

De deurbel. Je zou er richtlijnen voor kunnen schrijven in de thuiszorg. Of eigenlijk niet. Bij de één gebruik je de bel sus en bij de andere zo. En haal het vooral niet door elkaar, tenzij je een boos oud vrouwtje wil zien met ogen die vuur kunnen spuiten.

Het deurbelgebruik is een fenomeen wat in menig zorgplan beschreven staat. Soms in de planning zelfs. En soms moet het deurbelbeleid ge-update worden. Soms is het een agendapunt in het teamoverleg en worden er heftige discussies over gevoerd.

Ja, de deurbel is volgens mij een onderschat onderdeel in de thuiszorg. Ik zal wat deurbelvoorbeelden uit de praktijk beschrijven die ik heb meegemaakt:

– Aanbellen vóórdat je het slot open draait. Dan weet de bewoonster dat je eraan komt, ontwaakt ze uit een eventueel dutje en zit ze klaar. Doe je dit niet, dan wordt ze te snel overvallen door je binnenkomst en dat is niet bevorderlijk voor de sfeer.

– Aanbellen nádat je de sleutel uit de sleutelkluis hebt gebruikt. Dan wordt er alvast opgestaan omdat ze je hoort rommelen met de sleutel en ter bevestiging dat de thuiszorg ‘het maar is’ (en geen enge man die de sleutel probeert te stelen) bel je nog even aan. Als je eerst aanbelt heeft ze de neiging open te willen doen in de veronderstelling dat je visite bent of de postbode. Maar dat maakt haar wel erg buiten adem van de inspanning. Of ze blijft zitten en piekert in de stoel wie het is en wat ze nu moet doen in al haar hulpeloosheid. Had ik al gezegd dat het een onderschat onderdeel is in de thuiszorg?

– Twee keer bellen in plaats van één keer, dan moet het vast een bekende zijn. Niet te kort achter elkaar, maar ook niet te langzaam, anders zou ze denken dat je toch niet van de thuiszorg bent maar iemand anders.

– Bellen, 25 seconden wachten en dan weer bellen. Dan kan mevrouw zonder haasten achter de rollator naar de bel lopen en na de tweede keer de deur voor je open doen via het geautomatiseerde systeem. Open doen nadat de bel meer dan 25 seconden geleden is geweest, laat het systeem namelijk niet toe. (Meestal redt ze het wel binnen de tijd.)

– Bellen en ‘Buurtzorg’ door de intercom roepen. Vaak wordt er al open gedaan. Een veel gebruikte truuk door criminelen.

– Bellen en ‘Buurtzorg’ èn je naam zeggen. Vaak het veiligst. Gelukkig horen mensen dat vaak het liefst: je naam erbij. Bij nieuwe cliënten werkt dit helaas weer niet, tenzij ze de planning van te voren weten.

– Niet aanbellen, maar de telefoon laten over gaan. Dan wordt er vervolgens open gedaan. Op de deurbel wordt uit angst voor inbrekers, genegeerd.

– Tikken op het raam, anders maak je mogelijk iemand wakker. Veel gebruikt bij palliatieve zorg of bij gezinnen met kinderen.

– Liever bellen dan tikken. Anders schrikken ze (‘wat is dat nou, je belt toch gewoon altijd aan?!) of horen ze je gewoonweg niet. Zelfs al zitten ze nog naast het raam.

Kortom: houd het aanbelbeleid bespreekbaar en verwerk het goed in het zorgplan. Het is geen grap, bekijk het eens vanuit de ogen van de cliënt. Ik vind de redenen erachter inmiddels zo gek niet meer.

“Jaaa, wie is daar?”